Beide kandidaten vertrekken tegelijkertijd met een rechte voorwaartse sprong van op de kant en komen
onmiddellijk terug aan de oppervlakte. Ze maken samen een eendenduik. Duiker A geeft het teken “ik
heb geen lucht meer”. Daarop grijpt duiker B hem bij de arm (hij plaatst zich, zij aan zij, aan de rechterkant
van duiker A en neemt diens rechterarm met zijn linkerhand indien zijn (duiker B) ontspanner rechts hangt,
en omgekeerd) en biedt het mondstuk goed zichtbaar aan met zijn vrije hand. Duiker A neemt het mondstuk aan en steekt het zelf in zijn mond, ademt maximaal driemaal en biedt het mondstuk opnieuw aan duiker B aan. Duiker B neemt het mondstuk aan, ademt eveneens maximaal drie keer en geeft vervolgens het startsein: beiden zwemmen horizontaal, zij aan zij, aangezicht naar elkaar gericht over een afstand van 15 m.
Zonder oppervlakte te maken wordt nu hetzelfde gedaan met het mondstuk van duiker A. Duiker A neemt
de leiding over en beide kandidaten leggen de resterende 15 m af.
Op het einde van het parcours steken de beide duikers hun eigen mondstuk in de mond en stijgen op het
teken van A gezamenlijk naar de oppervlakte.
Ontspanners met het uitlaatstuk aan de onderkant mogen uiteraard nooit ondersteboven aangeboden of
in de mond gestoken worden. Het mondstuk dat niet gebruikt wordt, mag niet over de bodem slepen.
De gehele afstand onder water wordt in het diepe gedeelte van het zwembad afgelegd.
Gecombineerde proef
De kandidaat vertrekt van op de kant met een rechte achterwaartse val en komt onmiddellijk terug aan
de oppervlakte. Hij neemt de ontspanner uit de mond en verwisselt die met de snorkel. Daarna zwemt hij
zonder onderbreking 50 m aan de oppervlakte. Boven het diep steekt hij de snorkel weg, steekt de ontspanner in de mond, maakt een eendenduik en gaat stabiel op de bodem zitten.
Hij neemt het masker af en ademt driemaal. Hij zet hij het masker terug op en blaast het leeg. Hij laat het
nog tweemaal vollopen en blaast het telkens leeg. Hij mag ademen zoveel hij wil.
Op het teken van de instructeur: “ik heb geen lucht meer” biedt hij onmiddellijk zijn mondstuk aan. De
instructeur ademt 1 à 3 keer en geeft het mondstuk terug. De kandidaat ademt slechts 1 keer. In het totaal
reikt de kandidaat driemaal zijn mondstuk aan. Op het teken van de instructeur stijgt hij naar de oppervlakte en zwemt op ontspanner nog 25 m aan de oppervlakte tot aan de rand van het zwembad in het
diep. Hij geeft dan in volgorde, zonder zich vast te houden of ergens te steunen, eerst zijn loodgordel en
daarna de duikfles aan een helper op de kant. De manier waarop de fles uitgedaan wordt, hangt af van het
bevestigingssysteem. De fles wordt aangeboden met het handvat of de draagriem naar de helper gericht.
4 maal 10 m tussen 2 flessen
De flessen (kranen) liggen op precies 10 m van elkaar.
De kandidaat vertrekt met een rechte voorwaartse sprong in het diep. Hij zwemt naar de fles die op
10 m afstand ligt. Hij gaat vlak voor de fles op de bodem liggen. Houding: plat op de bodem, benen lichtjes
gespreid en gestrekt, de ellebogen steunen op de bodem; de kandidaat mag zich vasthouden aan de fles.
Hij neemt het mondstuk met ¨¦¨¦n hand, opent de kraan, steekt het mondstuk in de mond en ademt uit
door de ontspanner. Vanaf het ogenblik dat de kandidaat het mondstuk in de mond neemt, mag hij 20 sec.
ademen. De kandidaat mag de kraan niet manipuleren met het mondstuk in de mond.
De instructeur telt duidelijk zichtbaar voor de kandidaat: 5 sec. = ¨¦¨¦n vinger, 10 sec. = tweede vinger erbij,
15 sec. = derde vinger erbij.
Op dat ogenblik mag de kandidaat nog ¨¦¨¦n keer inademen. Hij neemt daarna het mondstuk uit de mond,
draait de kraan dicht en controleert of de kraan ook werkelijk dicht is (druk aflaten). Hij draait (links of
rechts naar keuze) zonder evenwel de fles te raken en zwemt naar de tegenoverliggende fles. Nadat hij
voor de vierde keer 10 m gezwommen en opnieuw op de fles geademd heeft, moet hij op het teken van de
instructeur opstijgen.
Proef met trimvest en 2de ontspanner
Deze proef simuleert bijstand aan een vastzittende duiker en wordt per paar uitgevoerd: duiker A, duikleider, duiker B, mededuiker.
Beide duikers zijn uitgerust met ABC-uitrusting, toestel met een tweede ontspanner, manometer en trimvest.
Zij vertrekken uit het ondiepe deel onder leiding van A naar het diepe gedeelte. Dit gebeurt normaal uitgetrimd (bodemafstand!), elk op eigen ontspanner en verbonden met een buddylijn.
In het diepe gedeelte gaat duiker B liggen en geeft te kennen dat hij vastzit met zijn jacket.
A geeft het O.K.-teken, vraagt B om rustig te blijven en toont hem dat hij zijn tweede ontspanner paraat
houdt. Beide duikers tonen elkaar hun manometer.
Duiker B ledigt zijn jacket volledig, ontdoet zich van de buddylijn, daarna van zijn persluchtcombinatie en
houdt daarbij zijn eigen mondstuk in de mond. Daarop geeft hij het teken “geef mij lucht”.
Duikleider A reageert onmiddellijk: Hij neemt duiker B, die nu zijn toestel verlaat, vast en biedt ogenblikkelijk zijn eigen mondstuk aan – het mondstuk waar hij – duikleider – op ademde.
Het mondstuk wordt nu enkele malen gewisseld. Zowel A als B ademen telkens bij voorkeur 1 maal.
Tijdens deze wisselademhaling maakt duiker A zijn 2de ontspanner gereed en checkt de werking ervan.
Duikleider A biedt zijn 2de ontspanner aan – zodra deze gereed is – aan zijn buddy B, en neemt zelf het
andere mondstuk. De wisselademhaling is gestopt, beide duikers beschikken nu immers over een mondstuk
aangesloten op de duikfles van A.
Vervolgens leidt duikleider A zijn buddy B (buddy stevig onder de arm) – in het diep – via eerst een 5©tal
meter horizontaal, rustig naar boven tot ca.1m onder de oppervlakte. Daar controleert A zijn manometer
en zwemt op die diepte verder naar het vertrekpunt in het ondiep.
Beide kandidaten zullen met elkaar communiceren en elkaar helpen bij :
• het aan- en uitdoen van hun materiaal ,
• de controle van het materiaal,
• het in en uit het water komen.
Nadien worden de rollen omgedraaid.
Algemene basisoefeningen en –technieken
Rechte voorwaartse sprong
De kandidaat staat op de rand van het zwembad en kijkt recht vooruit. Hij houdt met de ene hand zijn masker vast en met de andere de gesp van zijn loodgordel. (Als hij een fles draagt, trekt hij die met die hand stevig tegen zijn rug.) Hij springt verticaal in het water. De kandidaat moet gedurende de sprong verticaal blijven en de vinnen moeten het water gelijktijdig raken. De “sprong” is eigenlijk meer een voorwaartse stap. Indien het water op hetzelfde niveau als de kant staat, wordt er bij voorkeur van een startblok gesprongen.(Indien ook geen startblok ter beschikking is, mag deze sprong vervangen worden door een achterwaartse val)
Achterwaartse val
De kandidaat staat op de rand van het zwembad, met de rug naar het water en het mondstuk in de mond. Hij houdt met de ene hand het masker vast en trekt met de andere hand de fles stevig tegen zijn rug. Hij laat zich achterwaarts vallen en zorgt ervoor dat de fles horizontaal het water raakt. Hij mag zich afstoten en beide benen tijdens de val evenwijdig met elkaar schuin naar boven richten. De fles moet het water horizontaal raken.
Rolsprong
De kandidaat staat gebogen, met volledige uitrusting, en ontspanner in de mond, op de rand van het zwembad. Hij houdt met de ene hand zijn masker vast en trekt met de andere hand de fles stevig tegen zijn rug. Hij maakt een koprol. De fles moet het water horizontaal raken.
Eendenduik
De kandidaat ligt met zijn gezicht naar beneden, gestrekt op het water. Hij buigt het bovenlichaam in een korte, krachtige beweging 90° naar beneden en strekt onmiddellijk daarop de benen naast elkaar in het verlengde van het bovenlichaam De zwemvliezen bevinden zich in het verlengde van de benen. De kandidaat moet verticaal zinken, zonder over te slaan, te spatten of schuin te gaan. Pas als hij helemaal onder water verdwenen is, mag hij van richting veranderen.
Stilstaande apneu
De kandidaat laat zich verticaal naar de bodem zakken en plaatst zich in een stabiele houding, zonder tegen de muur te leunen. Hij houdt de ene hand aan de gesp van de loodgordel, klaar om die af te werpen, en de andere arm gestrekt omhoog. Die arm mag niet op het hoofd rusten. Hij kijkt naar de instructeur. De tijd begint te lopen op het ogenblik dat de kandidaat de bodem bereikt. Dat kan dus tot gevolg hebben dat niet alle kandidaten op hetzelfde ogenblik moeten beginnen te stijgen. Op het einde van de proef en op het teken van de instructeur stijgt de kandidaat met ¨¦¨¦n hand op de gesp naar de oppervlakte. Aan de oppervlakte wordt het O.K.-teken gegeven. Tijdens apneus wordt NIET constant het O.K.-teken gegeven.
Traject onder water in apneu
De kandidaat laat zich verticaal tot op + 50 cm van de bodem zakken en begint pas te zwemmen nadat hij op die diepte aangekomen is. Gedurende het hele traject blijft hij op + 50 cm van de bodem, ook als hij naar het ondiep zwemt. Tijdens het stijgen naar het ondiep ademt hij ¨¦¨¦n keer, duidelijk zichtbaar, een deel van zijn lucht uit. Hij mag zijn armen niet gebruiken om te zwemmen, maar mag ze wel naast het lichaam houden of gestrekt voorwaarts richten. Als hij een fles draagt, moet hij met ¨¦¨¦n hand het mondstuk met de opening naar beneden vasthouden. De kandidaat (of zijn uitrusting) mag de bodem enkel raken bij vertrek en aankomst.
Nadat hij de volledige afstand afgelegd heeft, draait hij zich op de rug, plaatst ¨¦¨¦n hand op de gesp en stijgt. Is hij niet alleen beneden, dan moeten er eerst stijgtekens uitgewisseld worden. Aan de oppervlakte geeft hij het O.K.-teken.
Masker ledigen
Op de bodem en in stabiele houding, laat de kandidaat zijn masker volledig vollopen door het langs boven van het aangezicht te lichten, of het helemaal af te nemen. Vervolgens zet hij het masker terug op en drukt de bovenkant tegen het voorhoofd. Eventueel maakt hij een kleine opening tussen masker en bovenlip en blaast het masker langs de neus het volledig leeg. Stijl en techniek zijn vrij, maar het masker moet wel helemaal leeg zijn. Na elke geslaagde poging worden er O.K.-tekens uitgewisseld.
Dalen
Bij het dalen zal de duiker voldoende aandacht schenken aan het equilibreren van de oren. Hij mag hierbij
vanzelfsprekend gebruik maken van de valsalva beweging. Bovendien blaast hij ook voldoende lucht in zijn masker, zodat het niet tegen zijn gezicht gedrukt wordt.
Stijgen
De duiker stijgt langzaam, ademt duidelijk zichtbaar uit, kijkt rond voor mogelijke gevaren aan de oppervlakte en houdt ¨¦¨¦n arm gestrekt omhoog. Om veiligheidsredenen moet bij het stijgen de hand op de gesp van de loodgordel gehouden worden wanneer er gestegen wordt zonder ontspanner in de mond (dus ook bij het bovenkomen na een duik zonder fles). V¨®¨®r elke opstijging (met of zonder fles) met twee of meer duikers worden stijgtekens uitgewisseld.